Ik dacht; is een lezing niet meer iets voor professoren, politici, filosofen…
Ik kreeg te horen: Je kan het zelf invullen; de oudere man, vrouw vertelt over zijn of haar
werkzaam leven. Ik begreep dat het om een beerput-lezing ging en ik dacht: daar kan ik
toch wat mee?
Mijn geheugen opfrissen wat betreft al die verschillende werkplekken en jaartallen.
Kijken wat er overblijft of boven komt drijven in die beerput. Maar al gauw zag ik dat het om
een bouwput-lezing ging, dus hoop ik nu opbouwend genoeg te zijn.
Pieter en Raph
Dit waren mijn opdrachtgevers, kan je geen nee tegen zeggen, toch? Petje of hoedje af!
Als ik over mijn werkzaamheden ga vertellen wordt het wel een ik-verhaal. (Geloof niet dat
ik als een groot ego bekend sta). Maar ja, in mijn werk was ik ook mijn eigen instrument, dus
ik ontkom er niet aan. Om niet te verdwalen in mijn eigen zinnen heb ik het op papier
uitgewerkt. En dankzij Roland van Meel, waar ik veel producties mee gedaan heb, kan ik ook,
vooral in het tweede deel, beelden laten zien.
Tijdens het schrijven, verbaasde ik me erover hoe je leven kan verlopen. Hoe toevalligheden
je weg kunnen bepalen, een ontmoeting, verhuizing, aanbiedingen, een enthousiast verhaal,
een scheiding. Hoezo; een vrije keuze? Daar kom ik nog op terug.
Even bij het begin beginnen. Ik ben geboren. (Jullie ook). Ik werd een meisje.
Dat was niet persé een vrije keuze.
Geboren in Den Haag, op mijn vierde naar Amsterdam. Om de situaties te beschrijven lees ik
tussendoor wat van mijn gedichten, die aansluiten bij mijn verhaal.
Wat zeker invloed had op mijn leven en werk zijn de vele verhuizingen.
Eerst met het gezin. Later voor mijn eigen werk.
1954. En dit is jullie nieuwe huis.
in het bovenhuis met woonkamer beneden
klimt grootste broertje naar het bovenbed
kleinste broertje moet genoegen nemen
twee zusjes rennen rond ik wil hier, nee ik
de derde krijst, de vierde moet nog komen
moeder zucht en vader hangt de klok op
1959. En dit is jullie nieuwe huis.
eindelijk een tuin zegt moeder
een zusje brandt zich aan de berenklauw
het kleine broertje zoekt zijn bijbel
het grootste broertje pakt zijn fiets
niet te ver roept moeder nog, terwijl
zij zusje vier weer aan de borst legt
grootste zusje gaat op zoek naar
een vriendin en vader pakt de klok uit
1960. En dit is jullie nieuwe huis.
voor iedereen een eigen kamer
deze is voor oma want die is nu alleen
die hal is toch niet warm te krijgen? kijk
die tuin lijkt meer een park zegt moeder
mag ik nou een hond vraagt grote zus
ik een konijn nee twee zegt zusje drie
ik wil weer naar de stad zeurt grote broer
en vader zegt die klok valt hier niet op
1965. En dit is jullie nieuwe huis.
moeder zucht de keuken is beneden
ver weg en koken in de kelder vind ik niks
is authentiek, zegt vader, bij zo’n Brussels huis
grote zus wordt op haar nieuwe kamer
door de verhuizer aangerand, maar ach
dat hoort erbij als je volwassen wordt
grote broer zegt ik ga nu de stad verkennen
kleine broer blijft thuis en mag niet mee
brult ik vind het hier niet leuk en ik ben bang
de jongsten schreeuwen: mam ik wil naar huis
zus drie vraagt waarom oma niet is meegekomen
vader is met de klok een trapje opgeklommen
maar scheurt het authentieke trijp van een paneel
hij valt, de klok staat stil, zijn loopbaan ook
verhuizen is voorlopig niet reëel
We komen uit een wat links georienteerd christelijk Ned. Herv. gezin.
Meeverhuizen met de carrière van je vader was in die tijd gebruikelijker dan nu. Hij was
jeugdpredikant in Den Haag/ studentenpredikant in Amsterdam/ directeur
Heldringstichtingen in Zetten en zoals jullie in het gedicht hoorden: Brussel, waar hij
hoogleraar aan een protestants theologische faculteit werd.
Mijn moeder speelde piano en begeleidde na het avondeten het gezang, leidde een koor,
richtte een groep voor Amnesty International op en bevrouwde de keuken. Zes kinderen.
Het was een creatief gezin. We speelden allemaal een instrument. Ik cello. Alleen bij de
jongste bleef het bij een triangel.
Ik zat in een blokfluitklasje op de muziekschool. Nadat de lerares vroeg welk instrument we
later wilden spelen, zei iedereen: piano. Ik zei cello en voelde me bijzonder. Maar de
aanleiding was een vriendin van mijn oudste broer. Hij speelde piano en zij cello. Ik vond
haar mooi. De roodbruine krullen pasten goed bij de kleur van de cello. Dus het werd cello.
Hoe een keuze tot stand kan komen…Verder was Sinterklaas de tijd van knutselen en
dichten. We hadden een huiskrant. Mijn zus was de redactrice en we droegen allemaal bij.
Mijn moeder had een hekel aan koken wat zij toch dagelijks voor 6 kinderen en mijn vader
moest doen, èn voor vluchtelingen in huis of in het dorp Zetten voor jongens, die elders op
school gestrand waren. Die konden daar op de hbs terecht. Het niet graag koken heb ik
overgenomen. Dat bevrouwen van de keuken is nooit mijn keuze geweest.
Even terug naar Amsterdam. Toen ik 6 was, wilde ik boerin worden. Dat zei ik ook tegen mijn
vriendje van 7 jaar oud: ‘ik wil wel met je trouwen, maar dan moet je wel boer worden’.
Dat was een overblijfsel van vakanties in Kolderveen/ Drenthe. Pastorieruil met de dominee
aldaar, die wel een vakantie in een stad wilde zitten. Het waren dus goedkope vakanties.
Predikanten verdienden niet veel. Op de WC, een kuil in de grond, lag een plank, die ik één
keer vergeten was. Ik ving vlinders om er, in een schoenendoos met een plastic raampje,
naar te kijken.
Ik ging vaak naar de buren, de boerderij, de zonen galoppeerden op hun paarden langs de
pastorie. Ze zagen er avontuurlijk uit. Mijn vader liep met een hoge hoed rond het kerkje,
want hij moest wel de uitvaarten daar begeleiden. De pastorie, die later, toen ik nog eens
door dat Drentse dorp reed, veel kleiner was geworden.
het plakboek
op een bovenwoning in de stad
plakt het kind, tong uit de mond
haar knipsels in met velpon
bij de bij schrijft zij,
in hoekig handschrift, bij
bij poezen poes, bij koeien koe
bij paarden paard, bij honden hond
en bij de vlinders eikenspinner
huismoeder en grote vos
want vlinders hebben rare namen
en soms schrijft zij loxodonto africana
hovawart of goeanaco en dan
bij weer een bij weer bij erbij
‘wat wil je worden?’ vraagt een tante
‘boerin’ zegt het kind
van twee hoog achter
Ik heb altijd gedroomd van een huis, waar je de voordeur uitgaat en de stad in loopt en waar
je bij de achterdeur eindeloze polders en bos aantreft. Niet zo gek als je met z’n allen op een
bovenhuis in Amsterdam Zuid woont, in de Jan van Eijckstraat. De fietsjes hingen aan haken
langs de trap. Op zaterdagmiddag ging ik door de Beethovenstraat naar de padvinderij, waar
geen pad te vinden was.
ik was kabouter Lachoogje, mijn zusje kabouter Helpgraagje.
het clubhuis stond in de Brahmsstraat
daar wachtten Oehoe en Toewiet op de kinderen
met hun poepbruine jurkjes en mutsjes
Oehoe had een dun en een dik been
daar bleef je naar kijken, als zij het niet zag
er was een wasbak bovenaan een trap
daar konden de kabouters plassen
en werd je van onderaf bekeken door
een volgende die nodig moest
dat wilde ik niet, ik hield het op
nog even zingen in een kring en dan kon ik naar huis
maar ‘wat de toekomst brenge moge’ duurde lang
bij ‘eenmaal zie ik al Uw luister…’
hoorde ik het ruisen, niet door de wolken
mijn poepbruine jurkje kleurde donker
mijn wangen ook en ik moest nog
helemaal door de Beethovenstraat
Om de hoek van ons huis
in de Aelbrecht Dürerstraat woonden enge jongens
die peuken op je arm wilden uitdrukken
is dat echt gebeurd? geen idee
eng was het wel als ik voorbij hen kwam
op weg naar de Gerrit van der Veenstraat
waar mijn vriendinnetje Debora woonde.
haar vader gaf niet gewoon een hand
maar schudde je armpje bijna uit de kom
alsof je een waterpomp was
ze hadden veel speelgoed en reden paard
soms lagen de drie meisjes Duyvis onder
de hoogtezon op het bed van hun ouders
ik mocht een keer mee naar de kabelfabriek
maar ik werd misselijk in hun chique auto
buiten moest ik kotsen en de moeder zei:
‘hadden we haar maar nooit meegenomen’
op een dag stond het gezicht van de moeder scheef
maar dat was niet mijn schuld
We verhuisden naar Zetten. Mijn vader werd directeur van de Heldringstichtingen, waar
moeilijk opvoedbare meisjes en ongehuwde moeders hun toekomst moesten overdenken.
We kregen een groot huis met een bordes. Toen we daar voor de eerste keer kwamen
kijken, verwachtte ik dat er door de vele deuren allemaal meisjes zouden verschijnen, maar
we kregen allemaal een deur naar onze eigen kamer.
Op tienjarige leeftijd leek dierenarts mij een mooi beroep. Beter dan boerin. Elke zaterdag
ging ik met de arts mee. Toen ik zijn arm helemaal zag verdwijnen in de kont van een koe,
werd mijn belangstelling minder.
Zelf reed ik toen op de knol van de begrafenisondernemer, zonder zadel. Vroeger durfde ik
veel. Dat kan ik nu niet meer zeggen. Ik mocht een hond en wat konijnen. De hond werd vals
zonder de noodzakelijke opvoeding in dat rumoerige gezin met zes kinderen en twee
jongens in huis. Het ene konijn at haar jongen op, de andere verdween uit de buiten-ren. Net
voor kerst. Ondanks die tegenslagen, hield ik van het wonen in een dorp.
Maar na 5 jaar verhuisden we naar Brussel:
Het verschil tussen Vlamingen en Nederlanders was nog groot. Ook in de taal.
Lopen was rennen en gaan was lopen. En gij was jij. En aardig was merkwaardig.
En ik kreeg een afkeurende blik toen ik zei: daar heb ik verschillende foefjes voor.
Trucjes, dacht ik, dat ik zei. Ik bleek het over het vrouwelijk geslachtsdeel te hebben.
Ik herinner me dat mijn vader een Westvlaamse theologiestudent hoorde zeggen/ ze
spreken in hun dialect de H niet uit: De Geer is Mijn Gulp en Mijn Geil.
Plotseling was je een vreemdeling. Opeens hoorden wij bij ‘jullie’. Elke dag naar het
atheneum van Etterbeek met lood in je schoenen.
Een aantal leraren had een hekel aan die te uitgesproken Hollanders. Ik was meer een
dromer en kropte de onrechtvaardigheden op. Voor het december-examen had ik zo hard
gewerkt aan dat stomme handelsrekenen. Ik kreeg te horen: je hebt zeker afgekeken. Ik zat
verdorie meters van mijn buurjongen of buurmeisje af. Die lerares had, niet voor niks de
bijnaam De Koe.
De aardrijkskundeleraar, een handtastelijk type zei: je krijgt een 0 want je spreekt dialect,
de turnlerares zei: plooit u in tweeёn. Toen iedereen bukte, lachte ik even. Ik vond dat een
grappige uitdrukking, maar ik werd eruit gestuurd. Ik moest excuses aanbieden aan de
prefect, een soort door de gangen lopend standbeeld.
Toen een Vlaams meisje ook een onterechte 0 kreeg, brak er iets in mij. Ik was geen brutale
Hollander. Het was te onrechtvaardig. Rechtvaardigheidsgevoel had ik thuis meegekregen.
Ik liep de poort door, naar huis en keerde niet terug. De Koe deelde de volgende dag
bonbons uit in de klas. Dat hoorde ik van mijn vader, die er godsdienstles gaf voor een klein
groepje protestanten om wat bij te verdienen. Er is in Vlaanderen een kleine protestantse
gemeenschap in Horebeke. Ik heb één keer het kerkje bezocht. Aan de muur hing een bord:
Vreest niet gij klein kuddeke.
Overigens vind ik achteraf die aparte lessen niet slecht. Voor de grote groep katholieken een
aparte cultuurles op een openbare school. Voor de niet-gelovigen zedenleer. Moslims waren
daar nog niet. Niet die typisch Nederlandse verzuiling, maar na dat uur weer samen in de
klas. Die gedachte stamt van later tijd, want ik wilde absoluut niet meer terug.
Etterbeek
de laatste hoek, de poort doemt op
twee aan twee alleen schoorvoet ik
met de massa mee naar binnen
de kille lokalen in
één voor één nemen we plaats
de ramen bieden uitzicht
in mezelf gekeerd vergeet ik
de komst van de lesgever
een stok schampt op de bank
den dikke Jules is binnen
ik schrik op, gebogen hoofd
staan zoals het hoort
de taal die hetzelfde is
had kunnen zijn en
ook weer niet, verstomt
we pakken onze pennen
in het jaar achttiendertig
onderstreept met rood
hebben wij, met groen
de Hollander verslagen
neemt nu zwart
onze arc de triomf is
pakt nu blauw, het teken
van deze overwinning
rood
grenzeloos vertrouwen
ebt weg bij zoveel kleur
ik reis weg van thuis, te jong
vader zwaait, de trein stopt
in Luchtbal en Oude God
namen uit een ander land
dat dichtbij te ver was
Ja, wat kan je na drie jaar hbs. En een half jaar atheneum. Kinderverpleging dan maar? Daar
zou ik nooit voor gekozen hebben.
Maar ik ging werken in een particulier kinderhuis in Driebergen. Het oudste kind was 14, ik
16 en ik werd door de kinderen tante genoemd. Ik herinner me vooral de schaamte. Twee
maanden hield ik het vol. Dan toch maar terug naar het dorp Zetten om mijn einddiploma te
halen. Later hoorde ik van een nichtje dat je schermen en paardrijden kreeg op de
toneelschool. Dat leek me wel wat.
Op mijn mobilètje ging ik naar een oriёntatiecursus op zaterdagmiddagen op de Arnhemse
toneelschool. De directeur vond me na afloop nog te jong. Mijn vader zei: ‘’Er is ook een
toneelschool in Antwerpen’’.
Ik werd aangenomen op het Hoger Instituut der Dramatische Kunst. De Studio Herman
Teirlinck. Boeiende jaren. In de rest van mijn verhaal krijgt u wat meer beelden te zien. De
kiekjes uit mijn jeugd zijn minder geschikt voor projectie.
Producties in de Studio:
Lysistrata een Griekse komedie van Aristophanes, over een groep vrouwen die de
Pelopponesische oorlog beёindigt door seks te onthouden aan de mannen. Alle mannelijke
acteurs hadden een hele grote van polyester.
Een bewerking van het Inferno van Dante. We hebben wat afgeslingerd in de Travhydro-
steigers. Daarna was het dringen bij de douche om de modder er af te krijgen.
Ik hield weer van Belgiё. Van de taal, die meer was dan amaai en goesting, van het woord
fier, dat mooier is dan trots, van droogzwierder, van het verschil tussen de stemhebbende V
en de F. Elke keer als ik op z’n Amsterdams Frau hoor zeggen, krimp ik. En ik hield van die
zachte g. Als ik naar het zuiden rijd, krijg ik vanzelf weer die zachte g.
Tegen mij werd gezegd Gij zijt een goeie. En de Belgen- en Hollandermoppen kreeg ik van de
verschillende kanten te horen. Ik vond er maar één grappig: een Hollander koopt een
postzegel en vraagt: mag het prijsje er af, het is voor een cadeautje.
De Studio Herman Teirlinck… Lessen in schermen kregen we wel. Paardrijden deed ik zelf
maar buiten de school. Beide disciplines kon ik later gebruiken in de BRT- serie Magister
Maesius. 1973.
Spellessen, stem- zang, acrobatiek, theatergeschiedenis, maar vooral veel producties, in de
hal van het grote bankgebouw, midden in Antwerpen, waar we praktische ervaring opdeden.
En daarna naar de Muze, het café van Jan van de Muze, ingericht met naaimachine-tafels,
waar Ferre Grignard zong over de de drunken sailor. Daarna keerde ik terug naar het sjofele
kamertje met butagasfles in het havenkwartier. En naar een hijgende oude buurvrouw op de
krakende trap, die boven woonde met haar eveneens hijgende hondje op de arm. En soms
voor mijn voordeur een drunken sailor.
Ik kon tijdens de toneelschool verschillende keren een stage, zoals dat heet, doen.
Bij het NTG in Gent, met Kees van Iersel. Vooral bekend van de Studio in Amsterdam. Hij was
een vernieuwend regisseur. Ik beschouwde hem als mijn theatervader. Als je tijdens de
première de foyer in liep, zat hij daar te wachten: ‘hoe ging het?’ Later vroeg hij mij voor de
televisieserie Merijntje Gijzens jeugd.
Daarin werd een merrie gedekt door een hengst, die al geruime tijd met veel kabaal stond te
trappelen in de aanhangwagen. Ik moest in de scène daarbij giechelen. Dat lukte wel, maar
eigenlijk stond ik met open mond te kijken naar het geweld van die hengst, de handen van twee boeren om zijn grote penis, die hem moesten helpen en de merrie die erbij stond alsof
er niets gebeurde.
Een jaar na mijn afstuderen speelde ik in de Kersentuin van Tsjechov, ook in Gent in 1973. Ik
speelde de dochter Anja.
met Jo de Meyere
Daarna in de KNS, de oude Bourla in Antwerpen: Wéér de Kersentuin met Jan Decleir, maar
een andere rol. Het dienstmeisje Doenjasja. Regie van Walter Tillemans
Ja, ik heb in drie Kersentuinen gestaan. De derde komt later.
Overigens houd ik me verder in dit verhaal niet aan de chronologische volgorde van
producties, maar meer aan wáár ik woonde, want de werkzaamheden waren niet altijd in
dezelfde stad.
In het laatste studiejaar werd ik Jessy in de film Jonny en Jessy van Wies Andersen, die ook
Jonny speelde. Met o.a. Rocco Granata, Kees Brusse en Jan Teulings. Ik kreeg toestemming
van de directeur van de Studio, maar gaf voor de zekerheid de nachtopnamen niet op,
zodat ik af en toe wel erg moe in de lessen verscheen. De film was niet erg succesvol.
affiche.
Jonny en Jessy hier met Hans Royaards
Verdere films waar ik aan meewerkte waren o.a.: van Pim de La Parra met de onmogelijke
titel: Mijn nachten met Susan, Olga, Albert, Julie, Piet en Sandra, met Willeke van
Ammelrooy en Nelly Frijda. Ik was Julie. Drie rollen zonder seksscènes gelukkig. Maar alweer
geen succesfilm.
De Tweeling 2002 onder regie van Ben Sombogaert had wel succes. Toen viel ik al in een
moederrol.
Verder de tv serie van de BRT en VARA: 1977 Tussen Wal en Schip regie Eimert Kruidhof, met
Kees Brusse en Dora van der Groen.
Geweldig om op al die binnenschepen te komen en aan het roer te staan. Schoenen uit,
kasten in de traptreden, veel gesprekken over kinderen die even thuiskwamen van hun
internaat.
Ik bekeek kortgeleden een video op mijn PC ervan. Ook weer een wonderlijke stap terug in
de tijd.
Weer even terug dus…
Eenmaal afgestudeerd in 1972 bleef ik een freelancer. Speelde in Leuven, waar ik mijn eerste
man ontmoette. Hij had een studentenkroeg op de Oude Markt.
Kroeg in Leuven
de studenten goten de pinten in hun
opengesperde kelen; ad fundum
de balken van de oude kroeg trilden
op de klanken van het Io Vivat, van
één twee, alle Franskiljons in zee
even werd het stil na het Silentium
bevel van de bolgedronken praeses
dan weer geschreeuw, gevulde pullen
een toasten op de Vlaamse Leeuw
wanneer wat blank was, bierverzadigd
slalommend, loom de nacht in ging
op weg naar een mistige morgen
kwamen zij, de lange zwarten en vertelden
over thuis, hun paradijs Burundi
waar bier naar bananen rook
waar geuren anders zouden zijn
de kleuren warmer waren
zwart zijn paste bij het land
ik kwam er jaren later en zag
dat hun paradijs een fantasie
van de nacht was
Fakkeltheater Antwerpen met De dag dat mijn kater dacht dat hij een pederast was. Leuke titel, toch?
Mijn eerste contract voor één productie, terug in Nederland, was bij de Noorder Compagnie
in Drachten. De Vrolijke Vrouwtjes van Windsor van Shakespeare onder regie van Zdenek
Kraus. Een van oorsprong Tsjechische regisseur. Vlaanderen had nog, buiten de vaste
gezelschappen, te weinig mogelijkheden, tenminste als je freelance wilde blijven. Dat is nu
wel anders. Meteen vàst leek me toen te weinig avontuurlijk. Dus dat kan je een keuze
noemen. Ik denk dat veel acteurs van nu het een geschenk zouden vinden.
Zo kwam ik door Fallstaf, gespeeld door Paul Brandenburg, die ook een castingbureau had,
op aanraden van Ton Lutz, bij Globe terecht in Amsterdam.
De laatste keer dat ik naar het Van Nispenhuis aan de Nassaukade, waar we repeteerden,
fietste was er een grote brand geweest. Een groot aantal pruiken van de opera, die daar ook
gehuisvest was, hebben dat niet overleefd. De sfeer bij het gezelschap was niet alles. Was
de brand aangestoken? Ik was niet de enige die zich dat even afvroeg.
Ik bleef twee jaar bij Globe.
Theomai (Grieks voor kijken)
op de planken worden de woorden
geproefd, dan naar de zaal gezogen
door oog en oor ontvangen of
daar gelaten, tussen zwarte poten
als angst voor falen wil verdwijnen
de spelers vleugels krijgen en zo
de zaal en het balkon bereiken
vallen de maskers
in het licht gevangen beweegt herkenbaar
een meeuw, een wisselkind, een prins
ze zijn om even te vergeten dat niet zijn
in het helle daglicht anders is
Zowaar heb ik één keer in 1975 in Carré gespeeld, een ad-hoc-productie voor het 700 jarig
bestaan van Amsterdam Jan Klaassen in ’t Kattegat, regie van de bekende Ton Lutz
met o.a. André vd Heuvel, Kitty Jansen en Joost Prinsen. Als Joost me zag riep hij altijd, met
zijn herkenbare stem: ‘Ha, de dochter van de dominee!’
Kamers (pied-á-terres) met matras op de vloer volgden in Amsterdam. In je eentje eten bij
een goedkope pizzeria. Dan naar het Museumplein de bus in, het land in naar de volgende
schouwburg.
het huis
het huis, het stond er elke avond weer
nooit veilig door een dichte vierde wand
het overbodig rood fluweel omhoog
getrokken voor het oog van het gehoor
ik speelde de geschreven leugens, soms
op lichte vleugels, soms op loden zolen
en na ’t applaus en de bevuilde watten
liet het me uit, het spotloos donker in
Rotterdam Ik wil op deze plek natuurlijk wat uitgebreider bij Rotterdam stilstaan.
Het Ro Theater (nog in de oude schouwburg) van Franz Marijnen, bood mij een contract aan.
Je werd nog gebeld in die tijd of je bij het gezelschap wilde komen. Geen audities. Wat een
mazzel. Je hoefde alleen maar ja te zeggen. Dus ik verhuisde naar Rotterdam. In het AD werd
een etage te koop aangeboden op de Katendrechtse Lagedijk voor 200 gulden per maand.
Dat bleek later het dubbele te zijn. De taal van het geld heb ik nooit zo goed begrepen, ook
niet meegekregen. Wel kreeg ik een groot bloemstuk van de makelaar, die er wel voor
zorgde dat ik door een lege Maastunnel meereed. De afstand tussen Zuid en het Centrum
was 5 minuten. Dichtbij, toch? Alleen in de pauzes van het werk tussen 17 en 19 uur kon ik
niet naar huis vanwege de files.
Ach, (op z’n Frans) Charlois klonk chique. Wist ik veel dat het Sjaarloos heette.
Geen douche, maar die werd in het smalle gangetje gebouwd.
Op straat hoorde ik de buren, die naar mijn naambordje keken: ‘ze is helemaal niet
getrouwd’. Maar ze werden heel aardig nadat ze me een keer op televisie zagen.
Mijn man ging, vanuit Leuven, werken bij Dizzy, zodat we konden verhuizen naar de ’s
Gravendijkwal. Of de ’s Gravendijkwal. Hij overleed vroeg. Ik was dertig.
Maar Rotterdam werd mijn stad. Ik voelde me er gauw welkom.
Kees Weeda, hoofd culturele zaken, noemde het ‘de rauwe charme van de stad’.
Voor mij een treffende beschrijving.
aankomst in Rotterdam
het pijpenparadijs was naar de kloten
de hond had nog geen bronzen drol gedraaid
de deuren van De Fles waren gesloten
bij aankomst ben ik bijna weggewaaid
de Moordenaar was van de straat gelicht
de reus van Rotterdam allang vergaan
de gaten in de stad nog niet gedicht
in ’t centrum kon nog steeds een circus staan
de stad was als een mantel zonder knopen
een wandeling en je had stormgelopen
je zat of stond voortdurend op de tocht
maar Rotterdam, daar raak je aan verknocht
ik werd de stad – herrezen uit de as –
en kreeg na jaren knopen aan mijn jas
Dit gedicht staat in de bundel: Boulevard in Poёzie 2002
Gedichten rond de Mathenesserlaan en Heemraadssingel initiatief van Pieter.
Mijn eerste gedichtenbundel Hete Thee werd overigens uitgegeven bij Bureau Obelon,
bedrijf van adviseurs. Een grote oplage, 1500, want het diende ter gelegenheid van de
jaarwisseling 2002-2003 en blijkbaar hadden ze veel klanten. Dit had ik te danken aan de
bekende Rotterdamse schrijver Rien Vroegindeweij, die de redactie deed.
Bij het Ro Theater, nog in de oude schouwburg, niet in de Kist van Quist, kreeg ik mijn enige
vaste contract van mijn werkzame leven.
Daar heb ik 6 jaar lang veel rollen gespeeld van 1978 tot 1984;
De Meiden, van Jean Genet, nog in het oude Piccolotheater
Het Balkon, van Ionesco.
Alice in Wonderland
Midzomernachtsdroom met John Kraaijkamp en het publiek op een draaiende tribune op
het toneel.
Tartuffe van Molière
Duizend en één nacht met Jerome Savary in 1978.
De Metamorphosen van Ovidius met Joop Keesmaat…een prachtige vertaling in
zevenvoetige jamben van de classica Marietje d’Hane-Scheltema waardoor ik me meer en
meer met poёzie bezig ging houden
Toen woonde ik dus naast de Dizzy. En hoorde en beleefde de Rotterdamse jazz-scene.
Bij het RoTheater kreeg drummer Tony Viola een rol in de Knecht van Twee Meesters van
Goldoni. Met een koksmuts op trommelde hij op de trappen van het decor.
Ik reisde met hem in z’n gele dafje door het land. Nooit zal ik vergeten dat hij een keer zijn
trommelstokken was vergeten. Maar trommelen met mes en vork ging ook wel.
Hij zei dat ik moest gaan zingen. In de oude schouwburg (het was meer zeg-zingen).
met Barend Theatercafé 1981
Daar trad ik op met o.a. Barend Petersen, met Tony, de bassist Dolf del Prado en leerde ik de
pianist Fred van Zegveld kennen, waar ik lang mee getrouwd was, tot een, voor mij
plotselinge scheiding, maar toen woonde ik al in Dordrecht. Daarover straks meer.
Tony Viola zocht ik op in het Havenziekenhuis in 2008 en ik vroeg of hij nog een laatste wens
had. Ja, nog één keer naar Café Walenburg, zijn vaste bruine kroeg. Ik was al in overleg met
de Laatste Wens ambulance, maar het café vond het geen goed idee.
Tony Viola
Ik blijf nog even in Rotterdam.
Ik voelde me daar dus thuis: Hansje de Reuver gaf niet alleen de gedichtenbundel Hé, de Hef,
een kranige brug uit, maar ook een bundel met haar foto’s van de Rotterdamse Mensch,
waar ik zowaar ook in sta.
En de Rotterdamse zangerige taal is toch fantastisch:
de hol op (ik dacht dat je die alleen af kon)
Hé, joh, heb je je haar met een rotje gekamd?
Wat zeggie, azzie val dan leggie. (Jan Oudenaarden)
En als je bijvoorbeeld voor een prachtig pand stond: zo, dat is niet lelijk.
Toen Franz Marijnen stopte in 1984 met het Ro Theater speelde ik nog bij andere
gezelschappen; bij Bonheur in 2001 met Jij, de Stad, o.a. in het Groothandelsgebouw,
op Oerol met het Brabants Productiehuis. Verder bij het Onafhankelijk Toneel, Hamlet bij La
Luna, bij FACT, In Hal 4 met Pravda/ regie Antoin Uittenhaag en Jos Thie.
En in de bibliotheek, lunchtheater met Loes Vos, bekend als de Rotterdamse tante Emma.
Aanwezig. We maakten tweemaal een productie; Het Zakdoek (Peter Goedhart schreef daar
nog een prachtig lied voor) over een moeder en dochter, die zeer verschillende ideeёn
hadden en daarover ruzieden in hun Variététheatertje. En de Beddenpan. Beide keren met
het Trio Tony Viola. Lichte kost dus.
met Loes
In 1990 Saltimbank van Herman Heijermans in de Amsterdamse Schouwburg onder regie
van Ben Verbong, (bekend van o.a. de film Het meisje met het rode haar) met Coen van
Vrijberghe de Coningh en Eric van der Donk.
Saltimbank hier met Alfred vd Heuvel
Maar ja, als ik alle producties in de loop van al die jaren, ga noemen, raakt de beerput vol of
begint de bouwput op een heuvel te lijken.
Frans Strijards belde: of ik bij Art & Pro kwam spelen.
Het was toen nog goed te doen, eerst vanuit Rotterdam en later vanuit Dordrecht.
We speelden in Frascati en in de Brakke Grond in de Nes. Eerst reisde ik per trein met mijn
fiets, maar die fiets werd al snel gestolen. Dan maar per auto.
Later verhuisde Art&Pro naar het Rozentheater in Amsterdam.
Je kon nog gratis parkeren als je 10 minuten naar de Rozengracht liep. De ene keer dat ik in
een file zat…even bellen bij een benzinestation.
Kersentuin Art&Pro links Pieter Loef
Dit is dan de derde Kersentuin. Duidelijk een andere interpretatie. Meer een gekkenhuis dan
een romantische, weemoedige aanpak. Ik had een klein rolletje, de goochelende
gouvernante Charlotta. Ik liet een buikspreekpop maken door de Rotterdamse beeldhouwer
Loek Frenk, nam een aantal goochellessen in Bennebroek bij de bekende goochelaar Richard
Ross en kwam op een eenwieler op. Aan Strijards werd gevraagd of hij iemand uit het circus
had gehaald. Daar was ik wel weer fier op.
Ook speelde ik Hedda Gabler van Ibsen. 1990. Voor mij een vreselijke repetitietijd. Ik reed
vloekend en huilend naar huis, maar het spelen werd mooi om te doen.
Hedda Gabler met Elsje Ingeborg-Smits.
In de Goldbergvariaties van Tabori speelde ik verschillende rollen. Dat vond ik leuk. O.a. Een
decorontwerpster op hoge hakken en een werkster. In de foyer vroeg iemand: wie speelde
nou de werkster? Ik antwoordde: Dat was ik ook. Weer fier, joh.
Ik vind het nu ook in de po prettig om van een licht vers naar andere genres over te stappen
en andersom. Beetje afwisseling kan geen kwaad, toch.
Frans Strijards benaderde theater veel meer vanuit een energieke en fysieke kant van
spelen. Vanuit slapstick, uitgaand van gedragsobservaties, van de buitenkant. Regie-
aanwijzingen als: nu val je plotseling op de grond (wat vrij labiel overkwam in het karakter
van het personage).
Of: nu komt er een mol op een fiets voorbij. Je ziet wat op de grond liggen, midden in een
monoloog. (doen)
Je had het zelf als speler in te vullen. Inleving was niet meer het eerste woord. En zeker niet:
in een andere huid kruipen. Een uitdrukking, die ik altijd vreselijk heb gevonden…dat
kledderige beeld.
Het Rozentheater zat altijd vol.
Ik was dus verhuisd naar Dordrecht. Mooi wonen tussen stad en platteland in. Iets, dat
vertelde ik al, een stille wensdroom was. Het landgoed Dordwijk was nog eigendom van
Staatsbosbeheer. Ik hoefde maar toestemming te vragen om een theatervoorstelling in het
park te maken met een amateurgroep, Theater Stichting Tribune uit Dordrecht. Ik richtte
een stichting op met de naam Zielslocker (het eerste woord van een Vredezang/ opgezongen
ten troost der Gemeente uit 1682.) De naam Zielslocker, niet de inhoud van die Vredezang,
vond ik voor theater wel toepasselijk. Het werd ook de naam van het locatieproject in 1993,
waarin mijn sindsdien jongste vriendin Eva van Welzenis, speelde. Hier aanwezig. Ze speelde
de zestienjarige Jet van Marle uit Schoolidyllen van de Dordtse Top Naeff. Ik heb daarna nog
veel met haar gewerkt.
Mijn passie voor locatietheater ontwikkelde zich, In de Biesbosch maakte ik voor het
Biesfestival meerdere projecten, ook op locaties in de stad. Heerlijk om met de spelers van
TST (Theater Stichting Tribune) te werken. Ik deed de regie en schreef de teksten naar de
acteurs toe.
Eva in Water en Sagen
Marjoleine Schaap in Water en Sagen
TST Campingleed op de Kleine Rug. Bonte avond van campinggasten .
17: kort filmpje uit de Biesbosch (staat op mijn website mariekevanleeuwen.org)
In 2000 schreef ik en deed de co-regie, samen met Ben Verbong voor de Passiespelen in
Tegelen. Een enorme klus, maar het was geweldig om te doen. Als Ben moest filmen zat ik in
mijn eentje op de enorme tribune en rende ik heen en weer voor aanwijzingen. Een enorm
openluchttheater met spelers van 4 tot 90 jaar. Als ik vanuit Dordrecht naar Tegelen reed
passeerde ik volle bussen met het, veelal katholiek, publiek.
decor Tegelen
met van Agt
In 2000 Ludovicus Rex, tekst van Herman Brand/ De Grote Luxe heette zijn stichting. Regie
Pieter Loef. Ik speelde onze eerste koning. Bekend geworden als het Konijn van Holland. Ik
had erg met hem
Ludovicus Rex
Ook deed ik in 2001 een groot locatieproject in Brielle, door de hele stad. De stad van Johan
Been. Van Paddeltje. Tekst en regie. Er werd als decor een schip gebouwd. De Speck, de
bijnaam van een Spanjaard en de piraten, de geuzen. En natuurlijk de scheepsjongen
Paddeltje. lied
ik dien de Nederlandse leeuw
ik ben zo’n recht door zeeje Zeeuw
maar welke list helpt mij hieruit
wat kan ik nu verzinnen
hoe kom ik van die pokkenschuit
wat moet ik nu beginnen
maar ja…
Meer dat genre.
In 2002 volgde de regie van.
de wind in de zeilen
de wind in mijn haar
op zee ben ik gelukkig
daar ken ik geen gevaar
affiche Iep!
Een hele grote productie en voor mij niet makkelijk. Soms ben ik met profs niet autoritair
genoeg of zo. Daar had ik met amateurs geen last van. Maar het werd, met veel inspanning,
een prachtproductie.
Verder nog een regie in het Vrijtheater in Den Haag. Hans Peter Ligthart was een geweldige
koning. Professioneel, al speelt hij nog steeds in het amateurcircuit. Dan speel je wel de
mooie rollen, zei hij.
affiche Vrijtheater
In Dordrecht was ik aangesloten bij het Platform Dordtse Theatermakers en later bij (nu nog)
de Dordtse Dichters. Gaf ook poёzie-workshops op scholen en elders. En meerdere jaren bij
het cellofestival, gedichten voor o.a. de bekende Pieter Wispelweij, die sprak over het eb en
vloed van de streek.
de gulden streek
wolken hangen boven de horizon
de zee ademt in en trekt zich terug
de stok beweegt van punt naar slof
geluid ebt weg, rust een wijle
laat een ijle verte klinken
dan davert de zee overvloedig
neemt vaart in haar opstreek
haar diepe klanken galmen
ze ademt uit en wijzigt haar tempo
vanaf de slof duwt de wind
de golven het strand op
de stok ademt mee met de zee
water en zand raken samen
paardenharen met snaren
de punt geplant in het zand of
op de lat en laat de muziek
verstrijken als het tij
Steeds meer optredens met mijn eigen gedichten, vaak met de bassist Nick McGuire.
Ons duo heet Nick&Ik
Nu ik wat ouder ben (dat gaat vanzelf, dat kies je niet) geeft het optreden met eigen tekst,
minder stress. Niet meer alles uit je kop leren. En ik hoef niet meer zó veel te rijden en te
reizen.
En dan een productie bij Hollands Diep Dordrecht in verschillende kerken. Regie Cilia
Hogerzeil. Curlew River van Britten. Ik speelde de ‘mad woman’, wanhopig op zoek naar haar
vermiste zoontje. In een kerk in Utrecht, dichtbij de Willem Arntsz-stichting, een instelling
voor psychiatrische patiënten, werd ik bijna uit de kerk gezet. Ik hoor erbij, fluisterde ik, ik
hoor erbij!
Ik verhuisde nadat ik mijn man Joop bij die opera had ontmoet naar het centrum van
Dordrecht… de Voorstraat 450. Hij richtte de benedenverdieping in, samen met Roland van
Meel, tot een theatertje; Theater 450.
Ik heb 16 jaar theater geprogrammeerd. Eerst op het landgoed Dordwijk, maar dat was
inmiddels particulier geworden. Een prachtplek, maar niet leuk meer. Ik woonde er nog een
paar jaar, alleen. Een leuk project was niet meer gewenst. Rust in het weekend was de
boodschap.
Maar samen met Joop kreeg dat een vervolg op de Voorstraat… tot de coronatijd.
Afgezien van een paar eigen kleine producties, traden vele anderen bij ons op, zeven
zondagmiddagen per jaar: en Taal, Beeld en Verbeelding met Pieter, Raph, met Rob de Moes
en Bart Wolvekamp, Carel ter Linden, Marijke Boon, de verteller Eric Borias, cabaretier Frans
Mulder, Guus Westdorp met Eric de Korte met liederen van vader Jules en vele anderen.
Muziek/ theater/ poёzie en beeldende kunst.
Het was de dag na het versturen van de uitnodigingen meteen uitverkocht en nog horen we:
wat jammer dat jullie dat niet meer doen.
poёzie
ze blijven dreigend voor de drempel staan
maar durven in mijn woorden niet te wonen:
de zwijnen die hun ziel niet zullen tonen
de kwijlers met hun grijze pakken aan
brulapen die maar steeds om aandacht vragen
angsthazen met hun holle dadendrang
verwaanden die het grote geld najagen
mijn drempel is te hoog voor storm en dwang
maar dan komt het bedeesd mijn woning in
verleidt me keer op keer tot een begin
het luistert, fluistert mij iets in, wordt stil
dan weet ik weer wat ik soms zeggen wil
het spreekt vanzelf terwijl wij beiden zwijgen
en even kan ik dan mezelf ontstijgen
Viereneenhalf jaar Stadsdichter van oktober 2019 tot april 2024. Tussendoor nog een regie
in Antwerpen, in het Paleis.
Als stadsdichter leerde ik Dordrecht goed kennen:
Op mijn eindpresentatie in april 2014 las ik het volgende voor in de Dordtse Kunstkerk,
omdat een ambtenaar had gezegd: dat een stadsdichter niet zichtbaar genoeg was.
Bezuiniging van € 5000,- bruto per jaar! Er was niemand van de gemeente. En het heeft jaren
geduurd voordat er een nieuwe stadsdichter werd benoemd na Jan Eijkelboom en mij. Niet
zichtbaar??? Dus las ik: (dit ga ik heel snel doen, anders raakt de put vol).
Ik heb gedicht voor en opgetreden op het voetbalveld, in de Rekenkamer, bij de Sportprom,
bij Probus, de Rotaryclub, de Loge Flamboyante bij de Vrijmetselaars, in raadszalen,
bejaardenhuizen en scholen, voor de website van Stolpersteine, in privéhuizen, het Albert
Schweitzer Ziekenhuis, bij de Buitenwacht, in het Dolhuis, in het Hof, het cellofestival, voor
de Drechtsteden in Landvast Alblasserdam, in literaire salons door het land, op de
internationale vrouwendag 8 maart (vandaag). Op de Nationale dag van stadsdichters in
Lelystad. Ik schreef voor het blad Culthure en het AD. Ik schreef het Drechtstedenlied en het
Dordrechtlied, Ik regisseerde de Stichting Theater Tribune, het Ophelia Trio, maakte
producties voor het Biesfestival. En ik organiseerde een aantal malen de Dordtse Dag van de
Poёzie. (op Dordtse locaties en later twee maal bij Opnieuw & Co)
Dus die onzichtbaarheid viel wel mee.
muurgedicht
dit gedicht is onzichtbaar gemaakt. Papeterspad/ Spuiweg
Nu een beeld uit de Alblasserwaard, waar de beeldhouwer Roel Teeuwen 25 sokkels met
poёzie ontwierp. Ze hebben daar een cultureel actieve Loge. De route is te volgen via een
fietskaart.
sokkel Alblasserwaard
En nu een ander gedicht. U zult de reden begrijpen, waarom ik dit nog wil lezen. De
solidariteitsbijeenkomst in 2022 voor Oekraїne. In de Grote Kerk droeg ik het volgende voor:
geef ons vrede
hoe vrede te vinden in heikele tijden
hoe zorg te dragen voor ontheemden
hoe mee te leven met gegeven leven
hoe dankbaar te zijn voor onze
dierbare momenten van welzijn
geef ons genadig vrede
laat de haat verstommen
verdrinken in de bloedrivieren
van de hopeloze oorlogen
laten er geen massagraven zijn
voor verloren mensen
geen schoten, geen gescheld
het leven is vergankelijk
laat de liefde triomferen
laten we ons streven naar vrede
naar vriendschap en vrijheid vieren
een kruisraket ruilen voor een fluit
de bom voor een contrabas
het vuurwapen voor een viool
het gifgas voor een gitaar
de kalashnikov voor een klarinet
geen heavy metal, maar melodieёn
die lichter zijn dan het gewicht
van een ondraaglijk bestaan
laten we blijven zingen
liederen met of zonder woorden
laten we omkijken naar elkaar
laten we een verdwaalde kogel
nooit de weg wijzen
Dit was ook in de Grote Kerk, waar we vanuit ons huis op de Voorstraat-West,
op uitkijken. Het is een leuke buurt. Toch een beetje tussen dorp en stad in. Ik las gedichten
in het Dordrechts Museum, waar mijn tegenwoordige overbuurman Peter Schoon toen
directeur was.
Museum
Ook nog even leuk om te vertellen is dat wij In ons grote huis in Dordrecht de voorstelling
Het blijft toch familie door TST gemaakt hebben in 2018. Twee groepen publiek liepen van
kamer naar kamer. De familie is in verval. Een ooit rijke reder ligt te sterven in onze
slaapkamer, mevrouw heeft een boudoir op zolder en waant zich nog steeds rijk, een
inwonende dokter (Tsjechov!) zit met zijn flesjes in de zitkamer. De tuinman is op de vliering
een weedplantage begonnen en de dienstmeid op een zolder een jeneverstokerij om de rekeningen te betalen. De gedekte tafel werd opgeklapt en werd de doodskist voor de reder
in de kamer met balustraden, waarop het publiek stond.
Het huis in Dordrecht hangt vol met beeldende kunst. Van o.a. Rotterdamse kunstenaars:
Loek Frenk, van Frans Vogel, Lou de Jong, Hélène van Stralen en Annette Splinter, (aanwezig)
waar ik menige expositie met poёzie voor geopend heb.
In hoeverre heb je werkelijk vrije keuze ten aanzien van de beslissingen die je neemt in de
loop van je (werkend) leven. In hoeverre heb je daar invloed op?
De buitenwereld en de toevallige ontmoetingen zijn van grote invloed.
Dat hangt nogal af van je zelfvertrouwen en weten wat je wilt. En van zelfreflectie.
Als je aardig gevonden wil worden, ben je eerder te verleiden om in situaties te komen die
niet altijd goed uitpakken. Wat is dan je keuzevrijheid?
Ach, dat is mij eens verweten door een ex-vriendin. Jij wilt nog aardig gevonden worden! Een
andere ex-vriendin: Ja, maar jij bent integer. Nou ja, het lijkt me niet echt verwijtbaar, maar
ze hadden wel een beetje gelijk. Ik zei, indien mogelijk, graag ja bij een aanbod, pleaser heet
dat in het Nederlands. Keuzevrijheid is dus een enorm rekbaar begrip.
En àls je dan een vrije keuze had, wist je de consequenties nog niet.
Mijn leven lijkt wel op een meanderende rivier, waarbij je vóór een bocht nog weinig ziet en
erna weer een nieuw uitzicht hebt. Ik hoop dat ik op deze internationale vrouwendag niet al
te ego overkwam. Mijn werk heb ik natuurlijk met veel anderen gedaan.
Veel namen van regisseurs en collegae, die ik in mijn verhaal noemde, zijn overleden.
Ze waren de laatste tijd, met het ophalen van herinneringen, veel in mijn gedachten.
Ik eindig met een klein gedichtje, dat ik onlangs schreef:
waar zijn de jaren heengevlogen
ik ben opeens bejaard
de kaarsjes passen plots niet meer
op mijn verjaardagstaart
Dank voor uw aandacht!
Marieke van Leeuwen/ Rotterdam Rijnhoutplein 8 maart 2026